Toelichting op de veiligheidslijst

HomeVoor ledenVeiligheidToelichting op de veiligheidslijst
HomeVoor ledenVeiligheidToelichting op de veiligheidslijst

Toelichting op de veiligheidslijst

Toelichting op de veiligheidslijst (versie 3.0)

Voor diverse regels in de tabel vindt u hieronder een toelichting.

Algemeen
De categorie toertochten geldt voor alle door de NVvT georganiseerde tochten. De volgende categorieën toertochten worden onderscheiden: 1. >100 mijl uit kust Deze categorie is voor toertochten die globaal gezien in gebieden komen die meer dan een etmaal zeilen vanaf een kust verwijderd zijn. 2. <100 mijl uit kust Deze categorie is voor toertochten die globaal gezien in gebieden blijven waarbij men binnen een etmaal zeilen een vluchthaven kan bereiken. Deze categorie geldt voor de meeste vakantie- en Uitertontochten. 3. <100 mijl uit kust tot bootlengte 25 ft Deze categorie is speciaal samengesteld voor de Small Ships Race. De eisen zijn aangepast aan de grootte van het schip. 4. Ruim binnenwater Deze categorie is voor toertochten die gehouden worden op het IJsselmeer, Waddenzee of Zeeuwse Stromen. 5. Binnenwater Deze categorie geldt voor alle binnenwateren die niet in de hiervoor genoemde categorie vallen. Hieronder vallen o.a. de binnenmeren in Friesland en Zuid-Holland, als ook de rivieren.


1.1.2 tot 1.1.5 Vastzetten uitrustingsstukken Alle zware uitrustingsstukken met inbegrip van eventuele binnenballast en inrichting zoals accu's, gasflessen, tanks, motor(en), ankers en kettingen moeten zodanig stevig bevestigd zijn dat zij op hun plaats blijven bij een 180 graden kentering.

1.1.6 Kajuitingang De hoofd kajuitingang moet uitgerust zijn met een sterke en doelmatige afsluitinrichting. Afsluitinrichtingen (schotten kajuitingang) moeten aan het schip bevestigd zijn of bevestigd kunnen worden om overboord slaan te voorkomen.

1.2.1, 1.2.2 en 1.2.3 Zeerailing of handgrepen aan dek Degelijke ononderbroken zeereling met draad van voldoende sterkte en dichte preekstoel voor. Bij de hekrailing is een wegneembaar gedeelte toegestaan. Voor de deelnemers aan de Small Ships Race (SSR) of schepen < 25 ft kan worden volstaan met stevige handgrepen aan dek als de vorm van de boot geen zeerailing toelaat.

1.2.7 Noodroer Een noodroer is een zelfstandige stuurinrichting, dus onafhankelijk van de hoofdroerconstructie. Deze dient als vervanging van het hoofdroer als deze in onbruik is geraakt. Het is voldoende als aangetoond kan worden dat er met behulp van uitrustingsstukken (denk aan spinakerboom en een luik) een goede hulproerconstructie is te maken. (zie fotoblad)

1.3.2 Afsluiters op huiddoorvoeren Alle onder water uitkomende huiddoorvoeren moeten voorzien zijn van goed bereikbare afsluiters. Uitzondering zijn loospijpen van de kuip en loosleidingen van de lenspompen

2.1 Motor De motor moet kunnen worden gestart met een afzonderlijke startaccu en voorzien zijn een vast ingebouwde tank. Aanbevolen wordt een hoeveelheid brandstof mee te nemen om het schip gedurende 8 uur met een redelijke snelheid voort te stuwen. De brandstoftank moet voorzien zijn van gemakkelijk toegankelijke brandstoffilters en van een afsluiter. Reserve brandstoffilters dienen aan boord te zijn. Andere reservedelen: V-snaar, motorolie, impeller, oliefilter. Voor buitenboordmotoren gelden deze eisen niet. Zorg wel voor een goede afgeschermde beluchting (luchttoevoer van de tanks) bij overkomende golven, opdat geen water in de tanks komt.

2.1.1 Afsluitbare brandstofleiding De schepen met buitenboordmotor dienen een ontkoppelbare brandstofslang te hebben.

2.2.3 Trysail Wanneer het een tweemaster betreft of wanneer een doelmatig 3de rif kan worden gezet is een trysail niet nodig. Het is echter wel aan te bevelen voor gebieden waarin langdurig zwaar weer kan worden verwacht.

2.2.4 Bulletalie of giekrem Het voorkomen van een onverwachte gijp is op alle schepen een goede voorzorg. Mocht er toch een onverwachte gijp zijn, dan is een bulletalie (lijn van uiteinde giek naar het voorschip om plotseling overkomen van giek te voorkomen) of een giekrem een goede aanvulling op de uitrusting. (zie ook fotoblad)

4.1 Lenspompen Lenspompen mogen niet in de kuip lozen tenzij de kuip achter een open verbinding heeft metde zee. Lenspompen mogen niet verbonden zijn met de kuipafvoeren en moeten bediend kunnen worden met alle kuipbanken, luiken en kajuitingangen gesloten, om te voorkomendat overkomende zeeën de boot weer doen vollopen. Tenzij vast gemonteerd, moet elke pomphandel geborgd zijn met een lijn, om overboord slaan te voorkomen.

4.2 Hoosmiddelen Aan boord zijn vaak putsen aanwezig om buitenwater aan boord te hijsen. Aan deze putsen zit vaak een gesplitste lijn. Deze lijn kan het hozen echter belemmeren. Daarom is een te verwijderende of door te snijden lijn hier verplicht.

5.1Reflectie Een radarreflector volgens SOLAS V dient tenminste een reflecterend oppervlak van 10m² te hebben volgens ISO specificatie en op minimaal 4 m van het wateroppervlak te worden opgehangen. Niet alle commercieel verkrijgbare passieve reflectors voldoen in de praktijk aan de eis van 10 m² en er is dus niet altijd een garantie dat U ook gezien wordt. Beter zijn z.g. actieve radar target enhancers.

5.2Reglementaire navigatieverlichting. In overeenstemming met nationale of internationale reglementen. Zij mogen niet worden afgeschermd door zeilen of door het hellen van het jacht, en niet worden aangebracht beneden dekhoogte. Een driekleurenlicht in de top van de mast wordt sterk aangeraden.

5.2.6 Zaklampen Waterdichte zaklamp met reserve batterijen en lampjes (LED uitgezonderd). Aanvullend een hoge intensiteit schijnwerper op het boordnet (5.2.5). Daarnaast worden een of meerdere extra zaklantaarns aanbevolen, voor onmiddellijk gebruik vanuit de kuip in geval vanman over boord. Hoofdbandlampjes met LED’s (rood) worden ook sterk aanbevolen.

5.3 Vuurpijlen Niet ouder dan 4 jaar of niet ouder dan de aangegeven vervaldatum.

6.1 Brandblusser Tenminste 2 goedgekeurde brandblussers van 2 kg. Te bevestigen op goed toegankelijke plaatsen en voor onmiddellijk gebruik gereed. Aanbevolen wordt voor ieder afsluitbaar compartiment > 4 m³ een aparte brandblusser. Tevens nabij de kookinrichting en één voor de motorruimte. (zie ook 6.2.2. van de veiligheidslijst >100 mijl)

7.1.1 en 7.1.2 Reddingsvesten Tenminste één reddingsvest per bemanningslid is verplicht. Dit vest dient tenminste 150 N drijfvermogen te hebben, zodanig verdeeld dat een bewusteloze drenkeling veilig wordt ondersteund met het gezicht naar boven. Wanneer tegelijkertijd zware zeilkleding wordt gedragen, voldoet echter alleen een reddingsvest met 275 N drijfvermogen aan deze eis. Bovendien moet te allen tijde het dragen van het vest en een veiligheidsharnas worden gecombineerd met een beenkruisband. Reddingsvesten moeten worden voorzien van reflecterend materiaal, een fluitje, een vast of flitslicht.

7.1.4 Licht of flitslicht op zwemvest Zelf activerende lichten of flitslichten op een zwemvest. Een vast licht wordt beter gezien in hoge deining. Een flitslicht is feller maar is in zeegang vaak lastiger te zien.

7.1.5. Veiligheidsgordels en Lifelines Veiligheidsgordel (harnas) met een lifeline van maximaal 2 m, maar korter is beter. De lijn dient aan beide zijden te zijn voorzien van een makkelijk openende sluiting. Het veiligheidsharnas kan worden gecombineerd met het reddingsvest of het zeilpak, maar te allen tijde moet worden voorkomen dat het harnas omhoog kruipt. De enige goede oplossing is om het te combineren met een beenkruisband.

7.1.7 Reddingsvlot Dient geschikt te zijn voor het aantal opvarenden. Uitvoering bijvoorkeur met : • Waterballast zakken • Dubbele bodem • Gescheiden luchtcompartimenten • Inklimladder • Stevige tent of afdekkap • Noodpakket

7.1.8 Dinghy Hoewel de organisatie er geen voorstander van is, mag eventueel als vervanging van een reddingsvlot een direct te lanceren dinghy gekozen worden. De Engelse Tinker-dinghy is speciaal ontworpen voor dit dubbelgebruik. Een voordeel kan zijn dat men met een dinghy kan varen. Een grabbag met een inhoud die vergelijkbaar met de standaard inhoud van een reddingsvlot is dan verplicht.

7.1.9 Grabbag of vluchttas Om mee te nemen in het reddingvlot of dinghy.

8.2 en 8.3 Reddingboeien met boeilichten Aanbevolen wordt twee reddingboeien aan weerszijden van het achterschip onder direct bereik van de wachtsman of stuurman. De boeien moeten zijn voorzien van reflecterend materiaal. Ze moeten met een kort lijntje verbonden worden met de zelfontbrandende boeilichten (Deze eis geldt niet voor de categorie binnenwater). Ze moeten met één handbeweging over boord kunnen worden gezet. Er dienen boeien te zijn die gebruikt worden direct nadat er iemand overboord is gevallen (niet verbonden aan schip) en boeien, meestal een lifesling die wel is verbonden met het schip. Bij schepen die alleen solo worden gevaren zijn twee boeien en een lifesling niet verplicht, maar aanbevolen.Wel is in die situatie één boei met lijn en boeilicht verplicht om te kunnen worden ingezet bij hulp aan een drenkeling van een ander schip. Indien het achterschip niet breed genoeg is om al deze boeien een goede plek te geven zijn er alternatieven in de vorm van opblaasbare boeien. (zie fotoblad)

8.2.3 Joon De joon dient tenminste 2 meter boven het wateroppervlak uit te steken en voorzien te zijn van een gekleurde vlag en een zelfontbrandend licht of flitslicht. Het is aan de schipper om te beslissen of deze joon aan een van de reddingsboeien wordt vastgemaakt of dat deze zelfstandig overboord gezet kan worden. Het overboord werpen dient zo snel mogelijk te kunnen gebeuren zonder dat er lijntjes etc. hoeven te worden losgemaakt of dat er iets in de knoop kan komen.

9.1Ontvangers Naast de traditionele weersverwachtingen van de BBC etc. zijn er steeds meer manieren om meerdaagse weersverwachtingen en weerinformatie aan boord te krijgen. Het is aan de schipper om een keuze te maken uit de hiervoor beschikbare apparatuur en systemen.

9.2.1 Marifoon De VHF zendontvanger moet voorzien zijn van een masttop antenne met bijpassende kabel en waterdichte connectoren. Daarnaast wordt een handmarifoon sterk aanbevolen. Een waterdichte nood-Marifoon voor in de grabbag wordt ook sterk aanbevolen. Alleen bij de Small Ships Race mag men volstaan met een handmarifoon. We bevelen dit echter niet aan omdat het bereik van handmarifoons beperkt is.

10.1.1Kaarten Recente papieren zeekaarten en pilots betreffende het te bevaren gebied en directaangrenzende gebieden. Conventionele navigatiehulpmiddelen t.b.v. het maken van eengegist bestek op deze kaarten dienen aan boord zijn. Elektronische kaarten zijn erg nuttig en handig maar papieren back-ups dienen ten allen tijde aan boord te zijn. Kaarten dienen te zijn bijgewerkt. Varen op elektronische kaarten is toegestaan. Er dient altijd een papieren back-up aan boord te zijn.

12.01 Gereedschap Gereedschap dient te zijn afgestemd aan het gebruik aan boord. Ieder zeiler zal hier zijn eigen keus maken.

Disclaimer De volgende tekst vervangt de tekst van de disclaimer bij de veiligheidslijst NIET. De tekst is een vereenvoudiging van de tekst bij de veiligheidslijst.

De disclaimer is onderdeel van de te ondertekenen Veiligheidslijst.

De disclaimer wijst de schipper op zijn verantwoordelijkheid te voldoen aan alle verplichtingen die de veiligheid van de te ondernemen tocht vergroot. De NVvT, als organisatie van de tocht, heeft alles in het werk gesteld de schipper hierop te wijzen. De NVvT is de deelnemer(s) behulpzaam met verstrekken van benodigde informatie die de veiligheid vergroot.

De schipper en zijn bemanning kunnen de NVvT dus niet aansprakelijk stellen in geval van een calamiteit.

De NVvT is niet verplicht het schip van de deelnemers te controleren op de genoemde veiligheidsuitrusting. Als blijkt dat een schip of zijn bemanning niet aan de minimale eisen van zeewaardigheid voldoet kan het schip uitgesloten worden van deelname. Deze beslissing dient te worden gerespecteerd.